Vonken als verlichting - Nationale Museumweek 2020 Blog

Evenement

Heb jij ook een warm gevoel als je terugdenkt aan je laatste bezoek aan Continium of een van de andere Nederlandse musea? Daarom gaat de Nationale Museumweek 2020 (20 tot en met 26 april) ondanks alle beperkingen door: in verantwoorde digitale vorm. Ook wij doen mee, met ons Gouden Pronkstuk: de vuursteenmolen. En jij kunt ook meedoen, met een Tikkit Talk of door deel te worden van digitaal pronkstuk op de Dam!

Digitale Nationale Museumweek

Wil je meer weten over de Nationale Museumweek 2020? Lees dan verder op de website van de organisatie. Je vindt daar alle informatie over het pronkstuk op de Dam en hoe je kunt deelnemen & de Pronkstukken van andere musea. Ons pronkstuk is de vuursteenmolen. Hieronder lees je ook meer over deze bijzondere mijnlamp. Dit pronkstuk was eerder al onderwerp van een Tikkit Talk. Maak jij thuis een nieuwe vlog over jouw favoriete object? Lees dan snel verder!

Maak jij een eigen Tikkit Talk?

Doe jij mee met de Tikkit Talk Challenge van Museumkids? Maak thuis je eigen vlog over de vuursteenmolen of een ander favoriet object uit de Hall of Fame of de Explore Zone. En win een VIP bezoek!

Zo doe je mee:

  1. Leer de leukste weetjes over het pronkstuk van onze expert hieronder.
  2. Maak thuis zelf een vlog over het pronkstuk in max. 5 minuten
  3. Stuur je Tikkit Talk t/m 10 mei 2020 op via www.museumkids.nl

Oja, en deel hem uiteraard ook met ons. Je vindt ons op Facebook, Instagram en meer

Op zaterdag 13 april 2019 vond de eerste Tikkit Talk in Continium plaats. Laurie & Luca hadden de eer. Kijk je mee naar het videoverslag van deze presentaties? 

 

Vonken als verlichting: de vuursteenmolen

In de donkere pijlers, gangen en galerijen van het ondergrondse mijnbedrijf was verlichting een noodzakelijkheid. In de loop van eeuwen gebruikten mijnwerkers mijnlampen in allerlei soorten en maten, variërend van zeer eenvoudige constructies tot staaltjes van technisch vernuft. In de collectie van Continium discovery center bevindt zich een heel bijzondere mijnlamp in de vorm van een vuursteenmolen: een Engelse vinding uit de achttiende eeuw.

Vuursteenmolen

Gloeiwormen en visschubben

Als verlichting van hun ondergrondse werkplek gebruikten de mijnwerkers tot in de negentiende eeuw vooral open olielampen of kaarsen. Die bestonden in verschillende uitvoeringen, maar ze hadden gemeenschappelijk dat de open vlam erg gevaarlijk kon zijn, vooral in mijnen waar het verraderlijke methaangas (CH4) voorkwam. Methaangas was reukloos en kleurloos, maar zeer explosief. Een klein vlammetje kon een rampzalige ontploffing tot gevolg hebben met soms talrijke slachtoffers. Een manier om het explosiegevaar tegen te gaan was het bestrijden van het gas. Dat kon in principe door het verbeteren van de ondergrondse ventilatie. Tot in de negentiende eeuw waren daarvoor echter slechts weinig effectieve hulpmiddelen beschikbaar. Op een houtsnede in Agricola’s De re metallica, tot in de tweede helft van de achttiende eeuw het meest gezaghebbende handboek mijnbouwkunde, is te zien hoe twee mijnwerkers voor ventilatie zorgen door met een soort van laken te zwaaien. Ook maakten mijnwerkers gebruik van primitieve blaasbalgen.

Mijnbouwkundigen en uitvinders richtten zich ook op het ontwikkelen van veiligere lichtbronnen. Hoe beducht men was voor het explosiegevaar door een open vlam blijkt wel uit sommige alternatieven die men koos. Zo namen mijnwerkers gloeiwormen in kleine kooitjes mee naar beneden, of gebruikten ze zelfs fluorescerende visschubben als lichtbron. Als er maar geen open vuur was! De kunst was een lichtbron te ontwikkelen waarvan de vlam of de verbrandingsgassen een temperatuur hadden, die niet hoog genoeg was om het mijngas te ontsteken.

Een traumatische ervaring

Carlisle Spedding (1695-1755) was een boerenzoon uit Whitehaven, een mijnstadje in het noordwesten van Engeland. Op zijn 15e vond hij in zijn geboorteplaats werk in de mijnen. Hij kwam er onder supervisie van zijn oudere broer, die een leidinggevende functie bekleedde. De bedoeling was dat ook Carlisle zou opklimmen in de mijnhiërarchie. Daarom werd hij drie jaar later naar Newcastle-upon-Tyne gestuurd om daar in de mijnen ervaring op te doen. Of was het een vorm van bedrijfsspionage? Hij moest, onder de schuilnaam ‘Dan’, ontginningsmethoden gaan afkijken, zich bekwamen in het gebruik van springstoffen en ideeën opdoen over de aanleg van ondergrondse transportsystemen.

Spedding maakte zijn ‘stage’ in Newcastle niet af. Hij verliet de mijn na een ernstige mijngasontploffing, waarbij hij brandwonden opliep. Terug in Whitehaven bracht hij het tot een hoge toezichthoudende functie in de plaatselijke mijnen, die eigendom waren van Sir John Lowther. Lowther was een van de eersten die onderzoek liet doen naar de samenstelling van mijngas. Mijngas was een groot probleem in de mijnen van Whitehaven. Waarschijnlijk in opdracht van Lowther zette Spedding zich ertoe een veilige mijnlamp te ontwikkelen. Zijn eigen traumatische ervaring met de verwoestende kracht van een mijngasontploffing zal Spedding ongetwijfeld extra hebben geïnspireerd. In 1733 introduceerde hij zijn uitvinding: de flint-and-steel-mill, ook wel Speddingmill genoemd.

Bij gebrek aan beter

De flint-and-steel-mill (vuursteenmolen) werd door een leerling-mijnwerker op de gestrekte linkerarm gedragen of vastgebonden tegen de borst. Met de rechterhand draaide hij een stalen rad rond tegen een vuursteen, die met de linkerhand kon worden versteld. De vonkenregen die hierbij ontstond, diende als verlichtingsbron. De vonken hadden een lage temperatuur. Daardoor waren ze veel minder gevaarlijk dan de open vlammen van de olielampjes of de waskaarsen. 

Bovendien konden ervaren mijnwerkers op den duur aan de helderheid en de kleur van de vonken zelfs het methaan- en zuurstofgehalte van het aanwezige mijngas inschatten. Helemaal veilig waren de vuursteenmolens echter niet. Onder bepaalde ongunstige omstandigheden kon de vonkenregen toch een mijngasexplosie veroorzaken. De ironie van de geschiedenis wil dat Spedding in 1755 om het leven kwam door een mijngasontploffing! Bovendien was de lichtopbrengst van de vonken uiteraard pover.

Desondanks breidde zich het gebruik van vuursteenmolens tussen 1735 en 1816 over de meeste West-Europese mijngebouwgebieden uit. Bij gebrek aan beter. Pas in 1816 zou de Engelse natuur- en scheikundige Sir Humphry Davy zorgen voor een grote doorbraak door zijn uitvinding van de veiligheidslamp. De herkomst van de vuursteenmolen uit de collectie van Continium is niet bekend.

Dit bericht is eerder geplaatst op DeMijnen.nl. Daar vindt je ook meer illustraties en foto's, en nog veel meer informatie over mijnbouw.