Steenkolen-
mijnbouw in de Hall of Fame Blog

Collectie

In de Hall of Fame, de schatkamer van Continium, sta je oog in oog met de pareltjes uit de vijf historische deelcollecties van dit museum. Zoals dit penningenbord van de mijnzetel Oranje Nassau III in Heerlerheide.

Technische en sociaal-culturele aspecten van de winning van steenkool in Nederlands-Limburg worden verbeeld door een groot aantal collectiestukken. Het zwaartepunt ligt in de 20ste eeuw. Toen groeide de Limburgse kolenwinning uit tot een grootschalige industrie, waar 60.000 mensen werkten. De collectie bestaat uit gereedschappen en hulpmiddelen die bij de kolenwinning werden gebruikt, objecten die het verhaal vertellen van de sociaal-culturele rol die de mijn in de gemeenschap speelde, en kunstuitingen als schilderijen, tekeningen en beeldhouwwerk met de mijn en de mijnarbeid als inspiratiebron.

Zoals het penningenbord, vol penningen van de morgendienst. Deze is gebruikt bij de mijnzetel Oranje Nassau III in Heerlerheide (1917–1973). Elke mijnwerker had zijn eigen penning. Die diende vooral om te kunnen controleren wie ondergronds was. Wellicht herken je hem uit de aankleding van De Baron 1898 uit de Efteling? Deze achtbaan heeft als thema de mijnbouw en is geïnspireerd op de Staatsmijn Oranje-Nassau 1 in Heerlen.

Enkele andere voorbeelden uit deze deelcollectie:

Kolenslede

Hout en wilgentenen, tweede helft 18e eeuw.

De kolenslede of ‘hond’ was een transportmiddel dat in de 18de eeuw in de ondergrondse mijngalerijen werd gebruikt om kolen te vervoeren. De slede werd met een leren riem door de mijnwerkers voortgesleept. Die mijnwerkers werden daarom ‘slepers’ genoemd. In de 18de eeuw werd het sleperswerk vaak door kinderen gedaan. Die waren klein genoeg om zich in de nauwe ondergrondse gangen te kunnen voortbewegen. Een volle kolenmand kon ongeveer 70 kilogram steenkool bevatten.

Kolenslede

Vervaardiger onbekend, 1930 - 1970.

De kolenslede of ‘hond’ was een transportmiddel dat in de 18de eeuw in de ondergrondse mijngalerijen werd gebruikt om kolen te vervoeren. De slede werd met een leren riem door de mijnwerkers voortgesleept. Die mijnwerkers werden daarom ‘slepers’ genoemd. In de 18de eeuw werd het sleperswerk vaak door kinderen gedaan. Die waren klein genoeg om zich in de nauwe ondergrondse gangen te kunnen voortbewegen. Een volle kolenmand kon ongeveer 70 kilogram steenkool bevatten.

Hangtheodoliet

De Koningh Arnhem, omstreeks 1950.

Een theodoliet is een hoekmeetinstrument. Het instrument is eigenlijk een kijker (een richttelescoop) die dient voor het nauwkeurig meten van horizontale en verticale hoeken. Een hangtheodoliet werd in de mijnbouw gebruikt voor het meten van de stand van de pijler, de plaats waar de steenkool werd gewonnen. Het meetinstrument werd bevestigd aan een kap of stijl, waarmee de gang was ondersteund. Door deze wijze van bevestiging nam plaatsing weinig ruimte in beslag, wat vooral in lage pijlers handig was. Voor de veiligheid en het efficiënt werken was het nauwkeurig opmeten van het ondergrondse gangenstelsel heel belangrijk.

Hall of Fame

In de Hall of Fame sta je oog in oog met de pareltjes uit de vijf historische deelcollecties, zoals de deelcollectie Steenkolenmijnbouw, van dit museum. In dit open depot staan robuuste stoommachines en motoren zij aan zij met breekbaar glas en kristal, oogverblindend flonkerend in een theatraal licht. De kleurrijke diversiteit van het Maastrichtse aardewerk, al even breekbaar, contrasteert op een spannende manier met de stoere wereld van de Limburgse mijnwerkers. En de bijzondere collectie huishoudelijke apparaten roept als vanzelf een feest der herkenning op.

Welkom in de schatkamer van Continium.

Hall of Fame