Hall of Fame Tentoonstelling

Tijdens openingstijden bekijk details »
Iedereen
Inbegrepen bij ticket voor Continium

De Hall of Fame is het open depot, ofwel de schatkamer van Continium. Hier vertellen de topstukken uit de Continium collectie hun verhaal. Stoommachines en motoren gaan terug in de tijd en vertellen je hoe zij vroeger de drijvende kracht achter de fabrieken waren. Het gereedschap van de mijnwerker vertelt het spannende verhaal van het zware werk diep onder de grond.

De collectie van Continium discovery center bestaat uit vijf deelcollecties:

Hieronder lees je de bijzondere achtergrond van een van de objecten van elke deelcollectie. Ze geven een beeld van de bijzondere geschiedenis van de regio! Wil je meer weten over bruikleen of schenkingen? Kijk dan op de speciale pagina op Museumplein Limburg

Locomobiel

Deelcollectie Stoommachines en motoren

Een locomobiel is een verplaatsbare motor. Zich zelf aandrijven kon een locomobiel niet. Ze werden door een span paarden getrokken naar de plaats waar aandrijfkracht nodig was. Bijvoorbeeld op het veld, waar ze landbouwwerktuigen zoals dorsmachines aandreven. Met een lange drijfriem werd de locomobiel verbonden met de dorsmachine, de motor werd gestart en de dorsmachine kon zijn werk doen: het verwijderen van de graankorrels uit de aren.

Locomobielen werden sinds het midden van de negentiende eeuw gebouwd. Aanvankelijk waren ze uitgerust met een stoommachine, maar omstreeks 1900 werden er ook locomobielen met een verbrandingsmotor gebouwd. Dat maakte de machine lichter, zodat het verplaatsen makkelijker werd. De bouw van locomobielen gebeurde meestal bij buitenlandse fabrieken. Locomobielen van Nederlands fabricaat waren veel zeldzamer.

Locomobiel.

Toch is de locomobiel in de collectie van het Continium in Nederland gebouwd en wel in 1913 bij de motorenfabriek van Jan Brons in Appingedam. De fabriek van Brons had wereldwijde vermaardheid voor de motoren die er werden gebouwd. Dat succes was mede te danken aan de uitvinding van een ingenieus systeem van inspuiting van de brandstof (olie), die Brons in 1904 deed. Een eenvoudig stalen verstuiverbakje met een aantal heel kleine gaatjes aan de onderzijde zorgde ervoor dat de brandstof in de vorm van een fijne nevel met kracht in de motor werd gespoten.

De locomobiel is ook van een dergelijke motor voorzien. De motor (met nummer 569) heeft een vermogen van zes pk en is voorzien van een koelinstallatie. Het aandrijvingsmechanisme is uitgerust met een vrijloopkoppeling. Om veiligheidsredenen werden de draaiende delen, zoals de vliegwielen, afgeschermd met beplating. De locomobiel werd in januari 1914 geleverd aan het Instituut voor Veredeling van Landbouwgewassen te Wageningen. De motor werd voornamelijk gebruikt voor het aandrijven van dorsmachines. Vermoedelijk is dit de enig overgebleven Brons-locomobiel van dit type.

Oco

Deelcollectie Techniek van het huishouden.

De huishoudelijke stofzuiger, die als ‘elektrische bezem’ omstreeks 1910 op de markt kwam, werd al snel populair. Geen wonder, als men bedenkt welk een arbeidsintensief en zwaar karwei de schoonmaak van oudsher was. Er kwamen allerlei uitvoeringen. Eén daarvan was de zogenaamde buidelstofzuiger, zo genoemd omdat de stofzak, waarin het opgezogen stof werd opgevangen, als een buidel aan de steel was bevestigd.

De Duitse fabrikant Mauz & Pfeiffer introduceerde rond 1925 de buidelstofzuiger ‘Oco’. In de Hall of Fame is deze bijzondere en zeldzame stofzuiger te bewonderen.

Deelcollectie Techniek van het huishouden

De stofzuiger bestaat uit een motorgedeelte waaraan een steel is bevestigd en aan de voorzijde de zuigslang is aangesloten. Onder het motorgedeelte zijn ebonieten wieltjes aangebracht, zodat de stofzuiger makkelijk kon worden voortgeduwd. Gewoonlijk was bij dit type stofzuigers aan de voorzijde van het motorgedeelte een brede vaste zuigmond bevestigd. Dat was echter lastig, want daarmee was het onmogelijk in hoekjes en achter meubels te zuigen. Bij de Oco-stofzuiger sloot men in plaats van een vaste zuigmond, een slang aan met aan het eind een smallere zuigmond. Stof opzuigen in hoeken, kieren en op andere moeilijk bereikbare plaatsen was nu wel mogelijk.

Gedenkbord Nederlandse Katholieke Mijnwerkersbond.

Deelcollectie Steenkolenmijnbouw.

In 1953 vierde de Nederlandse Katholieke Mijnwerkersbond (NKMB) feestelijk het vijftigjarig bestaan. De NKMB was met afstand de grootste vakbond van mijnwerkers in Nederland, met tienduizenden leden. Uit het hele land ontving de NKBM felicitaties en geschenken. Daaronder bevond zich een fraai aardewerken gedenkbord,  aangeboden door het personeel van het Algemeen Mijnwerkersfonds voor de Limburgse Steenkolenmijnen (AMF). Het AMF was in 1919 opgericht door de voorloper van de NKMB en de vijf mijnbouwondernemingen die in Limburg actief waren. Het AMF garandeerde elke mijnarbeider en zijn gezin een uitkering in geval van ziekte, arbeidsongeschiktheid, invaliditeit, overlijden en ouderdom.

De opdracht voor het vervaardigen van het sierbord gaf het AMF aan de Maastrichtse aardewerkfabriek Sphinx, waar hoofdontwerper en kunstenaar Pierre Daems (1911-1982) het ontwerp maakte.

Gedenkbord Nederlandse Katholieke Mijnwerkersbond.

Centraal op het gedenkbord voor de NKMB beeldde Daems de Heilige Barbara af. Ze houdt een brandende mijnlamp in de linkerhand. In de rechterhand draagt ze een toren, het attribuut waarmee ze doorgaans wordt afgebeeld. Barbara was de beschermheilige van de mijnwerkers.  

De Barbaraverering werd in Limburg geïntroduceerd door buitenlandse arbeiders die in het begin van de twintigste eeuw in de mijnen rond Heerlen en Kerkrade kwamen werken. Barbara’s feestdag werd gevierd op 4 december. De mijnwerkers hadden die dag vrij.

Rondom de figuur van Barbara groepeerde Daems taferelen en landschappen die alle een relatie hadden met de sociale doelstellingen van zowel het AMF als de NKMB. Beide instellingen worden links en rechts aan de voeten van Barbara gesymboliseerd door de kantoorgebouwen in Heerlen, van waaruit ze hun zegenrijke werk deden. Dankzij de ziekte-, ongevals- en pensioenkassen van het AMF waren de mijnwerker en zijn gezin altijd verzekerd van verzorging bij ziekte en oudedag. De NKMB waakte over de lonen en arbeidsvoorwaarden, zodat er genoeg geld binnenkwam om een gezond familieleven mogelijk te maken.

Essentieel voor een gelukkig leven was goede huisvesting, waarvoor de katholieke arbeidsbeweging zich altijd had ingezet. Links op het bord zien we bouwvakkers op de steiger in de weer bij de bouw van gezinswoningen. Rechts (naast de mijnlamp in de hand van Barbara) is het gebouw afgebeeld van ‘Ons Thuis’ in Heerlen met kamers voor ongehuwde mijnwerkers. Al die initiatieven vinden plaats tegen de achtergrond van een industrieel landschap met rokende schoorstenen, bedrijfsgebouwen, schachtbokken en koeltorens.

De rand van het bord tenslotte toont aan de bovenzijde het symbool van de mijnbouw: een mijnlamp met gekruiste Schlägel und Eisen, de traditionele gereedschappen van de mijnwerker. Rechts op de rand is het wapen van de provincie Limburg afgebeeld en links het gemeentewapen van Heerlen.

Het bord is handgeschilderd en heeft een diameter van 54 centimeter. Aan de achterzijde is het door de ontwerper Pierre Daems gesigneerd.

Standbeeld Petrus Regout

Deelcollectie Maastrichts aardewerk

Op 13 en 15 augustus van het jaar 1905 trok er door Maastricht een cortège historique, een historische optocht, georgani­seerd door de populaire Maastrichtse schrijver Fons Olterdissen in zijn functie van voorzitter van ‘Maastricht Vooruit’, een voorloper van de huidige V.V.V. Voor die gelegenheid was door Eduard Haane een meer dan levensgroot beeld in gips vervaardigd van Petrus Regout (1801-1878), stichter van de glas- en aardewerkfabrieken De Sphinx.

De optocht toonde hoogtepunten uit de geschiedenis van de stad Maastricht en historische personen die op een of andere wijze met de stad verbonden waren.

Standbeeld Petrus Regout.

Het slot van de stoet werd gevormd door de praalwagen van de ‘Muziek- en Tooneelvereeniging der Glas- en Aardewerkfabrie­ken De Sphinx' en door een wagen met daarop de Stedemaagd. Het beeld van Regout, staande onder een baldakijn, met daarboven een door de stralende Maastrichtse stadsster bekroonde wereldbol, was omgeven door allegori­sche voorstellingen. Deze symboliseerden de Koophandel, de Rijn, de Maas, de Blazerij, het Aardewerk, de Slijperij, de Schilders­kamer, de Stoker, de Vuller en de Faam. Een ware apotheose. Achterop de wagen waren twee namaakovens met hoge schoorstenen geplaatst; hier zag het publiek pottemennekes (aardewerkers) en glasslijpers aan het werk.

De Maastrichtse Stedemaagd, voor welke rol een Amsterdamse actrice was ingehuurd, droeg bij aankomst op de markt in het stadhuis een door Olterdissen ge­schreven gedicht voor, dat de geschiedenis van de stad tot onder­werp had. En zoals de stoet eindigde ook dit gedicht met Regout:

Petrus Regout, die voor velen
Loon en arbeid heeft bereid,
Zond naar de vijf werelddeelen
De Maastrichtse nijverheid.

Herman Heijenbrock, Glasblazer voor de oven

Deelcollectie Maastrichts glas

Daar staan ze weer, mijn lekkende duivels, voor de vuren die ze zelf ontsteken, onderhouden en aanblazen. Ze zullen er het schier onsmeltbare zand bij ondragelijke hitte tot taai deeg maken. Ze draaien en wringen ijzeren buizen en trekken een slierende roodgloeidende taaie prop uit het vlammende hellegat. En buigend blaast hij er reeds zijn warmen menselijken adem in. Daar zwaait hij als een toovenaar mee in het rond, blaast weer in de buis, waarmee hij draaiend, wringend, zwaaiend zich beweegt. Een groote glanzende glasbel groeit op uit de roode klont.’ Aldus observeerde de schilder Herman Heijenbrock de glasblazers die hij aan het werk zag.

Herman Heijenbrock (1871-1948) is wel de enige Nederlandse industrieschilder genoemd. Fabriekscomplexen en de arbeidende mens in het industriële productieproces vormen de centrale thematiek van zijn omvangrijke oeuvre.

Herman Heijenbrock, Glasblazer voor de oven.

De fascinatie voor de moderne industrie en techniek ontstond tijdens reizen naar buitenlandse industriegebieden, die Heijenbrock na afronding van zijn opleiding aan de Rotterdamse tekenacademie in 1890 maakte. Hij bezocht de Borinage in de Belgische provincie Henegouwen en het gebied rond Luik, twee van de oudste industriegebieden op het Europese continent. Later reisde hij naar het Duitse Ruhrgebied en naar Engeland, Wales en Luxemburg. Daar tekende en schilderde hij de arbeiders, die in de ijzergieterijen, staalwerken, hoogovenbedrijven en glasfabrieken zwaar werk verrichtten in een decor van vuur, gloed, roet en stoom. Toen bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 de grenzen dicht gingen, concentreerde Heijenbrock zich op de Nederlandse industrie. Hij werkte onder meer in de Limburgse mijnstreek, in Twente en in het Rotterdamse havengebied. Waar Heijenbrock de glasblazer aan de oven portretteerde, is onbekend.

Herman Heijenbrock gebruikte graag de pasteltechniek voor zijn werk. Pastel is een zacht soort krijtstift. Deze techniek was als enige geschikt om in de hitte en het vuil van de fabriekshallen te kunnen werken.

In de jaren 1920 begon Heijenbrock met de ontwikkeling van een Museum van de Arbeid in Amsterdam. Daar liet Heijenbrock aan de hand van grondstoffen, eindproducten en honderden tekeningen die hij maakte, de arbeidsmethoden in de fabrieken zien, de techniek en de werkwijze van de arbeiders. Over zijn museum schreef Heijenbrock: ‘Eerbied krijgt men in dit Museum voor de natuur, maar eerbied ook voor den arbeid, voor al die stille werkers, wier naam niemand kent, doch zonder wier arbeid onze samenleving niet mogelijk zou zijn’.

Wanneer?

Hall of Fame

Tentoonstelling
  • Tijdens openingstijden

    Maandag
    Tijdens vakanties (regio zuid) en op feestdagen geopend.
    Dinsdag
    10:00 - 17:00
    Woensdag
    10:00 - 17:00
    Donderdag
    10:00 - 17:00
    Vrijdag
    10:00 - 17:00
    Zaterdag
    10:00 - 17:00
    Zondag
    10:00 - 17:00